Het jaarlijkse Deltaprogramma geeft aan hoe de uitwerking en uitvoering van de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën* verloopt. Dit hoofdstuk geeft een overzicht op hoofdlijnen en gaat ook in op nieuwe ontwikkelingen in de governance van het Deltaprogramma, kennis en innovatie en de internationale samenwerking.

2.1Voortgang van het Deltaprogramma op hoofdlijnen

Het Deltaprogramma brengt de voortgang in beeld met de systematiek 'meten, weten, handelen'. Vier hoofdvragen staan daarbij centraal: 1) Ligt de uitvoering op schema? 2) Liggen we op de goede koers? 3) Pakken we de opgaven integraal aan? 4) Is er waar nodig een brede participatie van andere partijen? Hierna volgt een totaalbeeld van de voortgang via deze vragen. Meer informatie over de voortgang is te vinden in de hoofdstukken 3-5 (voortgang Waterveiligheid, Zoetwater en Ruimtelijke adaptatie) en hoofdstuk 7 (voortgang per gebied).

Op schema

'Op schema' gaat over de vraag of de geprogrammeerde maatregelen volgens de afgesproken planning gereedkomen.

Voor waterveiligheid geldt dat de maatregelen om overstromingen te voorkomen (laag 1 van meerlaagsveiligheid*) op schema liggen. De geprogrammeerde dijkversterkingen en de nu lopende onderzoeken en verkenningen naar rivierverruimingen verlopen volgens planning. Waar zich geringe vertragingen voordoen, heeft dat geen gevolgen voor de eindtermijn van het gehele pakket aan maatregelen. De deltacommissaris heeft geconstateerd dat in het rivierengebied een nieuwe fase nodig is om voldoende voortgang te boeken met de uitwerking van de voorkeursstrategie Waterveiligheid voor de lange termijn: het krachtig samenspel van dijkversterkingen en rivierverruiming. Het Rijk ontwikkelt daartoe samen met de partners van het Deltaprogramma een programma Integraal Rivier Management, waarbij rivierverruiming een maatregel is om meerdere opgaven in samenhang aan te pakken (zie paragraaf 3.1).

Ook de beoordeling van primaire waterkeringen volgens de nieuwe normen ligt op schema. Als de beoordeling in 2023 gereed is, is er zicht op de totale waterveiligheidsopgave. Daarmee is ook de totale programmaopgave tot en met 2050 in beeld te brengen, waarbij iedere twaalf jaar een update plaatsvindt op basis van een nieuwe beoordelingsronde van alle waterkeringen. De verwachting is dat de waterveiligheidsopgave voor het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) zal toenemen. Daarom werken de partijen in het Hoogwaterbeschermingsprogramma continu aan het verder verbeteren van de efficiëntie van de inspanningen. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma investeert onder meer in kenniscommunity De Dijkwerkers om het realisatietempo verder te verhogen (het aantal kilometers dijkversterking per jaar) en in innovaties en projectoverstijgende verkenningen (POV's) om de kosten per kilometer verder terug te brengen (zie Deltaplan Waterveiligheid, Figuur 2 ).

Het beperken van de gevolgen van overstromingen via de ruimtelijke inrichting (laag 2) komt nog onvoldoende van de grond; de Stuurgroep Deltaprogramma heeft een werkgroep ingesteld die daar extra aandacht aan gaat geven. De veiligheidsregio's hebben vooruitgang geboekt met de crisisbeheersing bij overstromingen en verbeteren hun evacuatieplannen (laag 3). De eerste vier veiligheidsregio's hebben een impactanalyse gereed. De Stuurgroep Management Watercrises en Overstromingen (SMWO) houdt de vinger aan de pols. In 2018 komt het Nationaal Crisisplan Evacuatie (NCP-E) gereed, met de procedure voor de besluitvorming op nationaal niveau bij zeer omvangrijke evacuaties.

Twee belangrijke maatregelen voor een klimaatbestendige zoetwatervoorziening liggen goed op schema: het flexibel peilbeheer in het IJsselmeergebied en de Capaciteitstoename Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden Nederland (KWA). Het nieuwe peilbesluit voor het IJsselmeergebied is op 14 juni 2018 vastgesteld. De planuitwerking voor de uitbreiding van de KWA is in volle gang. Voor de Waterbeschikbaarheid zijn in circa 15% van Nederland gebiedsuitwerkingen gestart (in dialoog met gebruikers) en voor het hele hoofdwatersysteem. Het doel van de deltabeslissing Zoetwater dat in 2021 voor alle gebieden en het hoofdwatersysteem waterbeschikbaarheid is afgesproken, vraagt om een intensivering van betrokken overheden, maar is nog steeds haalbaar. De focus ligt daarbij op de urgente gebieden, zodat die bevindingen kunnen worden meegenomen in de besluitvorming over maatregelen voor de 2e fase van het Deltaplan Zoetwater.

Vorig jaar is het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie in werking getreden. Als eerste stap brengen overheden in beeld hoe kwetsbaar de verschillende gebieden zijn voor wateroverlast, droogte, hitte en de gevolgen van overstromingen. Dat gebeurt met stresstesten en risicodialogen. Het merendeel van de overheden is begonnen met het in kaart brengen van de kwetsbaarheden voor extreem weer, vaak echter nog niet voor alle vier de thema's of voor het hele grondgebied. Het doel is dat medio 2019 voor het hele Nederlandse grondgebied stresstesten zijn uitgevoerd voor alle vier de thema's. Dat is haalbaar, maar vraagt het komende jaar nog een flinke inspanning. Gemeenten, provincies en waterschappen trekken hierin meestal samen op; provincies en waterschappen voeren de stresstesten in hun gebied samen met de gemeenten uit.

Enkele koplopers hebben de vervolgstap van ruimtelijke adaptatie al uitgevoerd: de risicodialoog met alle relevante gebiedspartners over gesignaleerde risico's en benodigde maatregelen. De verwachting is dat de overige overheden deze dialoog volgens planning kunnen starten in 2019. Naast de aanpak van de dertien nationale vitale en kwetsbare functies zijn de afgelopen jaren vier regionale pilots Vitaal en Kwetsbaar gestart: Botlek, Amsterdam Westpoort, IJssel-Vechtdelta en Zeeland. Een gezamenlijk onderzoek van overheden en bedrijven in Amsterdam Westpoort illustreert de mogelijke cascade-effecten bij een overstroming en het belang van het doorfunctioneren van de elektriciteitsvoorziening. Ze signaleren dat meer helderheid in de verantwoordelijkheidsverdeling en een overkoepelende regie noodzakelijk zijn. Het project Nationale Aanpak Vitaal en Kwetsbaar gaat in een aantal casussen samen met de regio's de resultaten van de nationale aanpak en de regionale pilots met elkaar verbinden. Daarin delen de partijen de inzichten uit de regionale pilots die van belang zijn voor de aanpak op rijksniveau en de afspraken op rijksniveau die voor de regio relevant zijn. De stuurgroep Ruimtelijke adaptatie wordt sturend in de uitvoering van de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie om de vitale en kwetsbare functies uiterlijk in 2050 beter bestand te maken tegen overstromingen en in de wijze waarop dat in de regio's tot stand komt. Dit wordt sterker verbonden met de aanpak van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (stresstest, risicodialoog etc.). Het Rijk blijft verantwoordelijk om beleid en regelgeving hiervoor in 2020 aan te passen, indien nodig. Door de sturing op deze manier te wijzigen, wordt ook scherper wat nationaal geregeld moet worden en wat regionaal ingevuld kan worden.

Op koers

'Op koers' geeft aan of de voorgestelde maatregelen toereikend zijn om de doelen voor waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimtelijke adaptatie in 2050 te bereiken of dat een koerswijziging noodzakelijk is. Een koerswijziging kan bijvoorbeeld nodig zijn als er nieuwe inzichten komen in de snelheid van klimaatverandering, de omvang van de opgaven of de effectiviteit van maatregelen. Vooralsnog lijken de doelen haalbaar met de voorgestelde maatregelen.

De komende jaren ontstaat een preciezer beeld van de omvang van de drie opgaven: via de beoordeling van de primaire waterkeringen (opgave waterveiligheid), het proces Waterbeschikbaarheid (opgave zoetwater) en de stresstesten (opgave ruimtelijke adaptatie). Daarnaast monitort de Signaalgroep* ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de koers. De Signaalgroep heeft acht indicatoren geselecteerd om tijdig en betrouwbaar te kunnen signaleren of bijstelling van de voorkeursstrategieën nodig kan zijn (zie Bijlage 1). Deze indicatoren zijn internationaal gereviewd en geschikt bevonden om nu mee te starten. Uit het eerste overzicht van de Signaalgroep blijkt dat metingen en nieuw onderzoek aanwijzingen geven voor een mogelijk snellere en grotere zeespiegelstijging dan voorzien in de deltascenario's*. De impact op het Deltaprogramma kan groot zijn. Deltares heeft daarom de mogelijke consequenties voor het Deltaprogramma nader verkend (zie kader), vooruitlopend op een wetenschappelijk gedragen oordeel over de mate van zeespiegelstijging van het IPCC in 2019 en de daaropvolgende doorvertaling in nieuwe prognoses van het KNMI. Deze verkenning brengt onder andere in beeld hoe klimaatverandering met en zonder Parijs Akkoord kan doorwerken in de zeespiegelstijging langs de Nederlandse kust en welke gevolgen dit kan hebben voor de kustbescherming en de leefbaarheid van het achterland (moties: Sienot-Geurts* , Van Raan*, Laçin* en Van Tongeren*).

Een tweede signaal betreft de toename van piekbuien. STOWA heeft samen met onder andere het KNMI in april 2018 geactualiseerde neerslagstatistieken voor korte tijdsduren opgeleverd die dit signaal bevestigen. De nieuwe statistische analyse van metingen op 31 stations tussen 2003 en 2016 laat een forse toename zien van neerslaghoeveelheden en -intensiteiten, vooral tijdens extreme buien met een duur van twee tot twaalf uur (kans van voorkomen van 1/50 per jaar of kleiner). Dit is in lijn met de conclusies van een recente publicatie van het Compendium voor de Leefomgeving. De risico's van wateroverlast zijn recent nader geconcretiseerd in een onderzoek van Deltares, dat is uitgevoerd in het kader van de voorlopige risicobeoordeling voor de EU Richtlijn Overstromingsrisico's. De risico's zijn landsdekkend in beeld gebracht met piekneerslagberekeningen in combinatie met actuele topografie en een standaard rioolafvoercapaciteit, en vergeleken met werkelijke piekneerslaggebeurtenissen. Uit het onderzoek volgt dat mogelijk 10% van het aantal gebouwen in Nederland kwetsbaar is voor overstroming vanaf de straat bij extreme neerslagintensiteiten van 140 mm/2 uur. Het schaderisico in het bebouwde gebied varieert van € 10 tot € 1000 per ha, waarmee het vergelijkbaar is met een overstroming uit regionale wateren, maar wel met een hogere kans van optreden. Zonder maatregelen wordt verwacht dat de schaderisico's door klimaatverandering de komende 70 jaar verdubbelen. Al deze nieuwe inzichten zijn van belang voor het ontwerp van maatregelen om wateroverlast tegen te gaan en zijn meegenomen in de ontwikkeling van de stresstesten.

Deze werkwijze van de Signaalgroep maakt het mogelijk om de nieuwe inzichten mee te nemen in de voorstellen voor de eerste zesjaarlijkse herijking van deltabeslissingen en voorkeursstrategieën in Deltaprogramma 2021. Beleidsbeslissingen die daaruit volgen, verankeren de overheden in hun beleidsplannen. Beleidsbeslissingen op het gebied van water zal het Rijk verankeren in de opvolger van het Nationaal Waterplan; de decentrale overheden doen dat onder andere in de opvolgers van de provinciale waterplannen en bestemmingsplannen.

Signaal zeespiegelstijging

Er is nog veel onzekerheid over de vraag of de zeespiegelstijging versnelt en zo ja, in welke mate. De nadere verkenning* van Deltares wijst uit dat een mogelijke versnelling van de zeespiegelstijging op zijn vroegst vanaf 2050 merkbaar wordt. De mogelijke versnelling wordt veroorzaakt door het sneller afsmelten van de ijskap op Antarctica, een effect dat tot op heden nog geen onderdeel was van de scenario's. Het optreden van dit effect is onafhankelijk van het wel of niet nakomen van de klimaatafspraken van Parijs. Het nakomen van deze afspraken kan de versnelling wel beperken.

In het scenario waarin de klimaatafspraken uit Parijs worden uitgevoerd, kan de zeespiegel stijgen met 1 en mogelijk 2 meter in 2100. De behoefte aan suppletiezand (nu 12 miljoen m3/jaar) neemt dan toe met een factor 4 in 2050 en mogelijk een factor 20 in 2100, bij voortzetting van het bestaande beleid. Afhankelijk van de mate waarin de natuurlijke zandimport door de zeegaten toeneemt of met suppleties wordt ondersteund, kunnen we al rond 2050 te maken krijgen met toenemend verlies van intergetijdengebieden (platen, slikken, kwelders, schorren) in de Waddenzee, Westerschelde, Oosterschelde en het benedenrivierengebied. Rond 2100 kan structurele inzet van pompen op de Afsluitdijk en bij IJmuiden nodig worden. Afhankelijk van de ontwikkelingen in het klimaat (rivierafvoer, verdamping) en de watervraag kan het nodig zijn zoetwatermaatregelen versneld uit te voeren.

In een extremer scenario – waar op dit moment niet van uit wordt gegaan gelet op de klimaatafspraken in Parijs – is de temperatuur in 2100 met 4 graden gestegen. Dan kan de zeespiegel in 2100 met 2 meter (tot mogelijk 3 meter) stijgen, en ook daarna zal de (versnelde) stijging doorzetten. Bij continuering van het huidig beleid neemt de behoefte aan suppletiezand in deze extreme situatie toe met een factor 25 in 2100 – en mogelijk meer – ten opzichte van de huidige omvang. De sluitfrequentie van stormvloedkeringen neemt zodanig toe dat vervanging, ander gebruik of andere oplossingen eerder aan de orde kunnen komen dan tot op heden is aangenomen, mede vanwege de effecten op de waterstanden, verzilting en natuurwaarden in het achterliggende gebied. Het zal eerder nodig zijn om de pompen op de Afsluitdijk uit te breiden en wellicht moeten deze ook eerder continu ingezet worden. Door de toenemende verzilting van het oppervlaktewater kunnen vanaf 2070 zoetwatermaatregelen in Zuidwest-Nederland versneld in uitvoering gaan. Vanwege toenemende verzilting van het grondwater neemt de doorspoelbehoefte toe en daarmee de aanvoervraag, ook uit het IJsselmeer.

De conclusie op basis van deze eerste verkenning is dat de voorkeursstrategieën in elk geval tot 2050 een goede basis bieden om onze delta leefbaar en bewoonbaar te houden. In de tussentijd moet nader onderzoek voortvarend worden opgestart om de onzekerheid in processen en effecten te verkleinen. De eerste herijking van deltabeslissingen en voorkeursstrategieën in Deltaprogramma 2021 is een goed moment om te beslissen over onderzoeken, metingen en beleidsopties die uitwerking vragen. Op dat moment kan het KNMI meer informatie geven over de stabiliteit van het afgegeven signaal. Mogelijke onderzoeken betreffen bijvoorbeeld die naar de langetermijn-sedimenthuishouding van het kustfundament en de daarmee verbonden Waddenzee, Eems-Dollard, Westerschelde, Oosterschelde en het benedenrivierengebied (in samenhang met het onderzoeksprogramma Kustgenese 2.0), de zoutindringing, de faalkansontwikkeling van stormvloedkeringen bij toenemende sluitfrequenties en de consequenties voor het peilbeheer van de deltawateren.

Deze eerste verkenning laat ook zien dat de zeespiegel bij het nakomen van de klimaatafspraken van Parijs weliswaar versneld kan stijgen ten opzichte van huidige aannames, maar dat de voorkeursstrategieën in ieder geval tot 2050 voldoende basis bieden om de delta leefbaar en bewoonbaar te houden. Bij een extremere zeespiegelstijging lijken fundamentele keuzes over de bescherming en inrichting van onze delta onvermijdelijk. Dit illustreert het grote belang van het nakomen van de Parijse klimaatafspraken voor Nederland en andere delta's en kustgebieden wereldwijd.

Herijking

Als uit nieuwe inzichten blijkt dat de doelen voor waterveiligheid, zoetwater en ruimtelijke adaptatie met de huidige koers niet in 2050 binnen bereik komen, kan het nodig zijn de voorkeursstrategieën aan te passen. Bijstelling van de voorkeursstrategieën is ieder jaar mogelijk. Daarnaast vindt iedere zes jaar een systematische herijking van de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën plaats. De resultaten van de eerste zesjaarlijkse herijking komen in Deltaprogramma 2021. Het doelbereik staat daarbij centraal: de mate waarin de doelen zoals vastgelegd in Deltaprogramma 2015 op tijd bereikt worden. Om het doelbereik te kunnen meten en tussentijdse ijkmomenten te kunnen afspreken, worden criteria en indicatoren vastgesteld (zie Achtergronddocument A).

Voor de eerste zesjaarlijkse herijking brengen de stuurgroepen voor Zoetwater en Ruimtelijke adaptatie, de bestuurlijke partners voor Waterveiligheid en de bestuurlijke overleggen in de regio's in beeld of ontwikkelingen de tijdige realisatie van deze doelen in gevaar brengen. Ze letten daarbij op:

  • externe ontwikkelingen op het gebied van kennis en innovatie, klimaat, sociaaleconomische ontwikkelingen en maatschappelijke voorkeuren (de Signaalgroep inventariseert externe ontwikkelingen die voor het hele Deltaprogramma van belang zijn, zoals de mogelijke versnelling van de zeespiegelstijging en de toenemende frequentie van piekbuien).
  • interne ontwikkelingen zoals de voortgang van de uitvoering, randvoorwaarden en draagvlak. De partijen die aan de uitvoering van het Deltaprogramma in de regio's of de drie thema's werken brengen deze in beeld.

Ook checken de bestuurlijke overleggen of de uitgangspunten voor de keuzen in Deltaprogramma 2015 nog van toepassing zijn. Als de herijking daar aanleiding toe geeft, doet de deltacommissaris voorstellen voor aanpassing van de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën. Het achtergronddocument Meten Weten Handelen gaat nader in op de werkwijze van de zesjaarlijkse herijking en geeft de stand van zaken van de indicatoren voor het doelbereik. Figuur 1 geeft de planning op hoofdlijnen weer.

Planning eerste zesjaarlijkse herijking op hoofdlijnen
Figuur 1 Planning eerste zesjaarlijkse herijking op hoofdlijnen

In de adaptatiepaden* van de voorkeursstrategieën is een aantal opties voor aanvullende of omvangrijkere maatregelen op de lange termijn* opengehouden, om zo nodig te kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Als onderdeel van de herijking wordt bezien of het nodig is om nieuwe opties voor de lange termijn toe te voegen en of het nog steeds wenselijk is om alle huidige langetermijnopties open te houden. De huidige opties zijn:

  • bij vervanging van de Maeslantkering de aanleg van sluizen in de Nieuwe Waterweg als volwaardig alternatief* meenemen;
  • als bij vervanging van de Maeslantkering opnieuw gekozen wordt voor een 'afsluitbaar open' kering ook aanvullende ontwerpeisen meenemen voor bijvoorbeeld verziltingsbestrijding, naast een eventueel versnelde zeespiegelstijging en andere waterveiligheidsoverwegingen;
  • het winterpeil in het IJsselmeergebied beperkt mee laten stijgen met de zeespiegel (hooguit 10-30 centimeter en alleen als dit vanuit het perspectief van waterveiligheid kosteneffectief is);
  • de zoetwaterbuffer in het IJsselmeergebied met flexibel peilbeheer verder vergroten tot een waterschijf van 40 tot 50 centimeter; bij snelle klimaatverandering en een grote vraag kan zelfs deze voorraad ontoereikend blijken, dan kan nader onderzoek worden gedaan naar aanvullende maatregelen, waaronder bij laagwater op de Rijn meer water over de IJssel afvoeren;
  • bij droogte water van de Waal naar de Maas transporteren, omdat op middellange termijn mogelijk grote watertekorten in Rivierengebied-Zuid ontstaan;
  • eventueel de afvoerverdeling over de Rijntakken wijzigen (zie hierna);
  • Rijnstrangen inzetten als retentiegebied.

Uitgaande van de huidige inzichten in klimaatverandering en sociaaleconomische ontwikkelingen zijn deze opties mogelijk na 2050 zinvol. Waar deze opties een ruimtelijke component hebben (zoals retentie in de Rijnstrangen en wijzigingen in het peilbeheer in het IJsselmeergebied) is het nodig om daar nu al rekening mee te houden in het ruimtelijk beleid. Ook de gebiedsreserveringen voor de grote rivieren, zoals vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), blijven van kracht.

Afvoerverdeling Rijntakken

In Deltaprogramma 2015 staat dat het Rijk zal onderzoeken of er aanleiding is om de afvoerverdeling over de Rijntakken na 2050 te wijzigen en de optie hiervoor open te houden. Een kosteneffectiviteitsanalyse heeft de kosten van een andere afvoerverdeling (benodigde dijkversterkingen en eventuele wijziging in het potentieel aantal overstromingsslachtoffers) en het effect op het overstromingsrisico in beeld gebracht. De analyse is uitgevoerd met verschillende varianten voor het wijzigen van de afvoerverdeling.

Uit het onderzoek blijkt dat kosteneffectiviteit met de huidige kennis en uitgangspunten geen reden is om de afvoerverdeling na 2050 te wijzigen. Alle bestudeerde varianten zijn duurder of gelijk aan de referentie (de huidige afvoerverdeling handhaven). De verschillen zijn echter klein, gezien de onzekerheden in het onderzoek. Het is niet uit te sluiten dat het wijzigen van de afvoerverdeling op basis van andere argumenten dan kosteneffectiviteit in de toekomst toch zinvol zou kunnen zijn. Het onderzoek laat daarnaast zien dat zich tussen nu en 2050 onverwachte ontwikkelingen kunnen voordoen waarbij een wijziging van de afvoerverdeling mogelijk wel kosteneffectief is. De kosten en risico's bij een andere afvoerverdeling kunnen bijvoorbeeld anders uitpakken bij verdere aanscherping van de waterveiligheidsnormen of als de Rijnafvoer in Nederland toeneemt door betere beschermingsmaatregelen in Duitsland. Of een wijziging van de afvoerverdeling in deze gevallen kosteneffectief is, hangt ook af van de noodzaak en de kosten van aanpassingen aan de regelwerken.

Hoofdconclusie is dat het op dit moment niet verstandig lijkt ervan uit te gaan dat de afvoerverdeling na 2050 gewijzigd wordt en hier bij keuzes op vooruit te lopen. Wel blijft het verstandig om de optie open te houden en om bij wijzigende uitgangspunten in de toekomst opnieuw te verkennen of een andere afvoerverdeling zinvol is. Daarnaast loopt in 2018 voor de ontwikkeling van het beoordelings- en ontwerpinstrumentarium voor de waterkeringen nog een ander onderzoek dat in beeld brengt hoe de huidige afspraken over de afvoerverdeling geïnterpreteerd moeten worden in de context van het nieuwe waterveiligheidstelsel. In 2019 wordt bezien wat de consequenties daarvan zijn voor de uitgangspunten over de afvoerverdeling.

Integrale aanpak

Waar mogelijk is een integrale aanpak van maatregelen wenselijk: een aanpak die niet alleen bijdraagt aan een of meer opgaven van het Deltaprogramma, maar ook aan andere opgaven en ambities in het betreffende gebied. De partners die aan de implementatie van de voorkeursstrategieën in de regio werken, oordelen vrijwel unaniem positief over de mate waarin integraal werken invulling heeft gekregen. Een voorbeeld is het Rivierklimaatpark IJsselpoort. In dat project werken Natuurmonumenten, vijf gemeenten, Waterschap Rijn en IJssel, het ministerie van IenW en de provincie Gelderland samen aan ruimtelijke kwaliteit, hoogwaterveiligheid, natuur, economie en recreatie. Uit de evaluatie* van de Deltawet in 2016 bleek dat meekoppelkansen met thema's buiten het Deltaprogramma (zoals recreatie, scheepvaart en natuur) beter benut worden dan meekoppelkansen tussen de drie thema's van het Deltaprogramma zelf. Als reactie daarop gaan de regio's extra aandacht besteden aan 'interne' meekoppeling. Voor zoetwater en ruimtelijke adaptatie komt deze verbinding regionaal al regelmatig tot stand.

Een integrale aanpak vraagt vaak tijd, ook om kansen voor (mede)financiering te kunnen benutten. Daarom stelt het Hoogwaterbeschermingsprogramma vanaf 2019 de zogenoemde potloodprogrammering op: een langetermijnprogrammering van waterveiligheidsprojecten in de komende zes jaar (de formele programmering) en de zes jaar daarna (zie Tabel 5 Deltaplan Waterveiligheid, paragraaf 3.2.1). Belanghebbenden zien op die manier eerder waar dijkversterkingen worden uitgevoerd en kunnen vroegtijdig met de waterbeheerder in gesprek over een integrale aanpak. De potloodprogrammering wordt jaarlijks bijgesteld voor de eerstvolgende twaalf jaar ('voortrollend'). Naarmate de beoordeling van de primaire waterkeringen vordert, wordt de potloodprogrammering completer.

Integrale aanpak per thema

In het Hoogwaterbeschermingsprogramma en de gebieden zijn veel voorbeelden van een integrale aanpak te vinden. Voorbeelden zijn de verkenning naar de combinatie van dijkversterking, rivierverruiming en gebiedsontwikkeling in het project Meanderende Maas langs de Bedijkte Maas en het project Meer Maas Meer Venlo. Rivierverruimende maatregelen kunnen ook een bijdrage leveren aan ecologische doelstellingen (waterkwaliteit en natuur) en de ruimtelijke kwaliteit.

Bij zoetwatermaatregelen is een integrale aanpak de gangbare werkwijze. Een voorbeeld is het Innovatieve Zoetzoutscheidingssysteem (IZZS) in de Krammersluizen. Het IZZS beperkt niet alleen de zoutlast op het Volkerak-Zoommeer, maar zorgt ook voor betere vismigratiemogelijkheden, kortere passagetijden voor de beroepsvaart, minder energieverbruik en kansen voor opwekking en opslag van duurzame energie.

Als onderdeel van de Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater hebben ruim 30 partijen* afgesproken een impuls te geven aan het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW), dat zich richt op waterkwaliteits- en waterkwantiteitsvraagstukken (waaronder watertekort) en economische impulsen in de agrarische sector. In 2018 formuleren agrariërs en waterschappen samen de regionale (water)opgaven voor de landbouw en water. De wateropgaven gaan over waterkwantiteit en -kwaliteit. In 2020 moeten de uit te voeren maatregelen in uitvoeringsprogramma's per gebied en bedrijfsplannen voor bodem en water staan. De verbinding van zoetwatermaatregelen met het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (zie 4.1.1) leidt ook tot een integrale aanpak van de opgaven voor zoetwater en ruimtelijke adaptatie.

Ruimtelijke adaptatie heeft raakvlakken met andere grote opgaven in zowel stedelijk als landelijk gebied, zoals de energietransitie en circulaire economie, 'toekomstbestendig wonen', 'naar een vitaal platteland' en 'regionale economie als versneller'. De overheden brengen de dwarsverbanden de komende tijd in kaart, als onderdeel van het Interbestuurlijk Programma. Dit programma stimuleert overheden om waar nodig in gesprek te gaan over de kansen en knelpunten van deze dwarsverbanden en om effectief samen te werken. Een voorbeeld van de verbinding tussen de woonopgave en klimaatadaptatie is de aanleg van een nieuwe klimaatbestendige woonwijk op Marken (Marken boven water). Klimaatbuffers zijn een voorbeeld van de verbinding tussen de natuuropgave* en klimaatadaptatie. Een van de klimaatbuffers is het natuurgebied de Onlanden bij de stad Groningen. Door ruimte te bieden aan natuurlijke processen dient het natuurgebied als waterberging om wateroverlast in de stad te voorkomen en levert het project een bijdrage aan de natuuropgave van Nederland.

Raakvlakken met omgevingsbeleid

Er liggen belangrijke raakvlakken tussen de doelen van het Deltaprogramma, het omgevingsbeleid en het bouwbeleid en de bouwregelgeving. Het is essentieel om in het omgevingsbeleid, met de omvangrijke bouwopgave als onderdeel daarvan, rekening te houden met het veranderende klimaat. Het is zaak om nieuwbouw en herstructurering niet alleen energieneutraal te maken (klimaatmitigatie), maar ook van meet af aan klimaatadaptief, zowel door de locatiekeuze voor nieuwbouw als door de uitvoeringswijze.

Provincies en gemeenten verankeren ruimtelijke adaptatie in hun Omgevingsvisies (POVI's en GOVI's); het Rijk doet dat in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

Atelier X

De opgaven van het Deltaprogramma zijn te verbinden met andere grote ruimtelijke opgaven, zoals de energietransitie, de transitie naar een circulaire economie, Natuurnetwerk Nederland en de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijk ontwerp is een belangrijk instrument om dergelijke verbindingen tot stand te brengen en kan samenwerking tussen partijen faciliteren.

In 2018 zetten de partners van het Deltaprogramma samen met Atelier X ruimtelijk ontwerp in voor onder meer de Rijntakken (Werkboek Ontwerplaboratorium rivieren), de Maas (Atelierreeks Maas), Ruimtelijke adaptatie (Verhaallijn klimaatadaptatie), IJsselmeergebied (Gebiedsagenda IJsselmeergebied) en Kust (Kustpact).

Atelier X, opgericht als onderdeel van de Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp 2017-2020, is eind 2017 overgegaan van het ministerie van Infrastructuur en Milieu naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De resultaten van ontwerpinzet voor het thema Klimaat en Water zijn in december 2017 in de jaarlijkse Platformbijeenkomst Klimaat en Water besproken en begin 2018 via een nieuwe website ontsloten.

Participatie

Bij de voorbereiding van maatregelen is participatie van verschillende overheden, kennisorganisaties, belangenorganisaties, bedrijven en burgers gewenst om tot breed gedragen ontwerpen, goede kwaliteit en innovatieve oplossingen te komen, ook al zal het niet altijd lukken om 100% overeenstemming met alle betrokkenen te bereiken. Naarmate meer onderdelen van het Deltaprogramma in de uitvoeringsfase komen, wordt het organiseren van participatie belangrijker. Het oordeel van de partners in de regio over participatie is overwegend positief, maar ze signaleren ook kansen voor verdere verbetering. Met name brede participatie op het niveau van de strategie als geheel blijft een uitdaging.

Participatie bij dijkversterkingen

Bij dijkversterkingen worden direct belanghebbenden vanaf het begin zo goed mogelijk betrokken.

Bij de verbetering van de Grebbedijk hebben bewoners, ondernemers, instellingen en organisaties actief meegedacht over de ambities voor het gebied rond deze dijk en de oplossingsrichtingen. In 2018 hebben deze 'dijkdenkers' adviezen voor de dijkverbetering geformuleerd, zoals 'investeer in de relatie van de stad met de uiterwaarden' en 'benut de aanwezige waarden en zet minder in op nieuwe initiatieven'. Ook in het vervolgtraject blijven de dijkdenkers nauw betrokken.

Een ander voorbeeld is de dijkversterking Marken die in 2020 in uitvoering gaat. Rijkswaterstaat heeft de bewoners van Marken daar vanaf het begin nauw bij betrokken via de Eilandraad. In het ontwerpproces heeft de Eilandraad meegedacht over de oplossing, wat een buitenwaartse dijkversterking aan de Zuidkade heeft opgeleverd. De participatie van de Eilandraad verliep naar tevredenheid van de betrokkenen en de samenwerking wordt in de planuitwerking voortgezet. Voor de dijkversterking Zwolle-Olst onderzoekt het waterschap in samenspraak met de bewoners van het gebied welke maatregelen nodig zijn en hoe die het beste in het gebied zijn in te passen. Hiervoor is onder meer een groep 'dijkdenkers' gevormd van circa 45 geïnteresseerde bewoners rond de IJsseldijk die graag actief meedenken over de dijkversterkingen in hun leefomgeving.

Op sommige plaatsen verliep de participatie minder goed. Zo heeft bij de versterking van de Markermeerdijken weliswaar een uitgebreid proces met burgers plaatsgevonden, maar dat leidde niet voor alle dijkvakken tot gelijke inzichten. Voor een aantal deeltrajecten (Uitdam, Durgerdam) is in 2017 daarom bestuurlijk besloten meer tijd te nemen voor het kwalitatief hoogwaardig afronden van de participatie.

In sommige gevallen kan de kwaliteit van het omgevingsmanagement en de participatie verder verbeteren. Rijkswaterstaat en de waterschappen organiseren daarvoor binnen het Hoogwaterbeschermingsprogramma scholing en trainingen.

Participatie bij zoetwatermaatregelen

Ook bij concrete maatregelen uit het Deltaplan Zoetwater is er participatie van (lokale) belanghebbenden. Zo is in de pilots voor het proces Waterbeschikbaarheid samengewerkt met gebruikers van zoetwater in land- en tuinbouw, natuur en de drinkwatersector. Gemeenten raken door het proces Waterbeschikbaarheid en de verbinding met Deltaplan Ruimtelijke adaptatie steeds beter aangehaakt bij het Deltaplan Zoetwater.
 

Het proces voor de uitvoering van maatregelen uit het Deltaplan Zoetwater en de uitwerking van het proces Waterbeschikbaarheid is zo ingericht dat alle relevante gebruikers in een gebied hun bijdrage leveren. Hun betrokkenheid is zowel op landelijk als op regionaal niveau georganiseerd. Eén keer per jaar wordt met de gebruikersgroep een gesprek gevoerd om specifieke wensen te inventariseren en vast te stellen of daaraan kan worden voldaan. Dit gebeurt omdat gebruikers hebben aangegeven moeilijk te kunnen bepalen bij welke overleggen ze aanwezig moeten zijn.

Participatie bij ruimtelijke adaptatie

Actieve en brede betrokkenheid van de samenleving is voor ruimtelijke adaptatie van groot belang, alleen al omdat onze steden, dorpen en het landelijk gebied voor een groot deel uit particulier terrein bestaan. Waterschappen, gemeenten en provincies betrekken daarom in de meeste gevallen bedrijven, bewoners, maatschappelijke instanties, terreinbeheerders en kennis- en onderwijsinstellingen erbij. Ook nemen verschillende maatschappelijke partijen zelf initiatieven voor een waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting. Een goed voorbeeld is het Handboek voor de watervriendelijke tuin, een initiatief van de Vereniging Gemeenten voor Duurzame Ontwikkeling en Tuinbranche Nederland. Het Living Lab Ruimtelijke Adaptatie Overijsel heeft met samenwerkingspartners een boekje* opgesteld over de vraag: hoe geef je klimaatmaatregelen samen vorm in wijken? Verschillende branche- en belangenorganisaties hebben hier in 2018 hun achterban actief bij betrokken door tijdens bijeenkomsten aandacht te geven aan ruimtelijke adaptatie, bijvoorbeeld op de RIONED-dag en tijdens de bouwagendabijeenkomsten van de Dutch Green Building Council.

2.2De governance van het Deltaprogramma

Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten werken sinds de start van het Deltaprogramma op een vernieuwende manier samen, met inbreng van kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties, bedrijven en burgers. De samenwerking krijgt in nationaal en regionaal verband invulling en richt zich op waterveiligheid, zoetwater en ruimtelijke adaptatie.

Governance van Ruimtelijke adaptatie

Sinds 2017 heeft het Deltaprogramma een Deltaplan Ruimtelijke adaptatie. De ambities, afspraken en acties uit het deltaplan vragen om intensieve samenwerking tussen alle overheden. De partners hebben afgesproken de samenwerking – met name in de uitvoering – te baseren op een landsdekkende indeling in werkregio's (zie Kaart 1). De overheden in een werkregio brengen samen in beeld wat de kwetsbaarheden voor wateroverlast, hitte, droogte en overstroming zijn, stellen samen met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties de ambitie vast om de kwetsbaarheid te verminderen en voeren daarvoor maatregelen uit. De werkregio's monitoren de voortgang ten behoeve van hun eigen decentrale besturen. Zeven bestaande gebiedsoverleggen (zie Kaart 1) rapporteren op basis van die informatie over de voortgang van ruimtelijke adaptatie ten behoeve van de jaarlijkse voortgangsrapportage van de deltacommissaris. Het gebiedsoverleg stimuleert de samenhang met de andere opgaven van het Deltaprogramma (waterveiligheid en zoetwatervoorziening). In overleg met onder andere het Overleg Infrastructuur en Milieu (OIM) wordt nader besproken hoe maatschappelijke organisaties kunnen meewerken aan het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van ons land.

Werkregio's en Gebiedsoverleggen Ruimtelijke adaptatie
Kaart 1 Deltaplan Ruimtelijke adaptatie
Deze kaart geeft de stand van zaken weer van de werkregio's per 1 juli 2018.
De vorming van de werkregio's is nog in ontwikkeling. Klik hier voor de actuele stand van zaken.

Meer samenhang, minder bestuurlijke drukte

Ook de governance van de andere onderdelen van het Deltaprogramma vraagt aandacht. Nu het Deltaprogramma steeds meer in de uitvoeringsfase komt, is het zinvol om de dwarsverbanden tussen de drie opgaven (Waterveiligheid, Zoetwater en Ruimtelijke adaptatie) beter in beeld te krijgen. Daarom verkennen de partners in het Deltaprogramma of ze het regionale bestuurlijk overleg over deze drie opgaven kunnen combineren en kunnen verbinden met de Delta-aanpak Waterkwaliteit. Naast het versterken van de inhoudelijke samenhang en de integrale aanpak is het doel ook de bestuurlijke drukte te verminderen.

Op dit moment geldt voor iedere opgave van het Deltaprogramma een eigen logische gebiedsindeling met een daarbij passende bestuurlijke agenda. De deltacommissaris heeft de partners in het Deltaprogramma opgeroepen in de eigen regionale bestuurlijke overleggen de discussie te voeren over een vereenvoudiging van de overlegstructuur en het versterken van de inhoudelijke samenhang. Een goed voorbeeld is de regio Zuid waar het Regionaal Bestuurlijk Overleg Maas/Hoge Zandgronden Zuid vergadert over de onderwerpen waterkwaliteit, zoetwater en ruimtelijke adaptatie en aansluitend ('rug aan rug') vergadert met Stuurgroep Deltaprogramma Maas die waterveiligheid op de agenda heeft staan. Dit goede voorbeeld krijgt een vervolg in andere gebieden, met name in het noorden, oosten, zuidwesten en rond het IJsselmeer. In West-Nederland loopt de discussie nog.

Met de bestuurlijke partners wordt nagegaan welke governance voor het overkoepelend thema Waterveiligheid passend is.

Samenhang op nationaal niveau

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is toegetreden tot de nationale Stuurgroep Deltaprogramma om zo de verbinding tussen water en ruimte maximaal invulling te geven. Vanwege de sterke relaties met natuur en landbouw is ook het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit toegetreden tot de Stuurgroep Deltaprogramma. Het ministerie van LNV vertegenwoordigt ook het ministerie van Economische Zaken en Klimaat in deze stuurgroep.

Bodemdaling

Bodemdaling is een factor waar het Deltaprogramma rekening mee moet houden. In laag-Nederland daalt de bodem lokaal tot wel 2 centimeter per jaar. Hoofdoorzaak is de combinatie van veenafbraak, toenemende belasting op slappe bodems en (toenemende) verlaging van grondwaterstanden. Daarnaast treden andere vormen van bodemdaling op door gas- en zoutwinning en erosie in rivieren.

Bodemdaling in slappe bodems leidt ook tot CO2-emissie en waterkwaliteitsproblemen. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft berekend dat de maatschappelijke kosten door bodemdaling in slappe bodems tot 2050 € 22 miljard bedragen. In stedelijk gebied kan de schade aan infrastructuur oplopen tot € 5,2 miljard en de schade aan funderingen tot € 16 miljard. In landelijk gebied kan de schade aan (water)infrastructuur en gebouwen oplopen tot circa € 1 miljard en voor waterbeheer tot circa € 0,2 miljard.

Door bodemdaling worden de opgaven van het Deltaprogramma groter. De dalende bodem kan tot grotere overstromingsrisico's leiden, zeker omdat ook de zeespiegel stijgt en de rivierafvoer toeneemt. Ook wordt het moeilijker om overtollig water onder vrij verval op zee of op boezems te lozen; daar zijn grotere pompen voor nodig. Waar de bodemdaling ongelijkmatig verloopt, door verschillen in de bodemopbouw en de bodembelasting, kan zichtbare en onzichtbare schade aan funderingen van gebouwen, kunstwerken, wegen en dijken en ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen en riolering optreden. Bodemdaling versterkt bovendien het risico op wateroverlast en leidt tot meer kwel, waardoor grond- en oppervlaktewater in droogmakerijen en in de kuststrook kunnen verzilten. Maatregelen om bodemdaling te beperken, zoals peilopzet, kunnen (grond)wateroverlast veroorzaken en negatief uitpakken voor de zoetwaterbeschikbaarheid.

Vanwege het belang voor de doelen van het Deltaprogramma is een nadere analyse van de oorzaken en effecten van bodemdaling nodig. De partijen die aan het Deltaprogramma werken, hebben daarom in het Interbestuurlijk Programma (februari 2018) vastgelegd dat ze aandacht geven aan bodemdaling in de stresstesten en de risicodialogen die ze in het kader van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie uitvoeren. De stresstest levert daarmee inzicht in de impact van bodemdaling op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen op lokaal en regionaal niveau. Bestuurders bespreken de resultaten van de stresstest in een (risico)dialoog. De inzichten in het effect van bodemdaling worden betrokken bij de programmering van maatregelen in het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie, maar ook in het Deltaplan Waterveiligheid (effect op overstromingen) en het Deltaplan Zoetwater (effect op waterbeschikbaarheid). Alle betrokken partijen hebben daarbij hun eigen verantwoordelijkheid en kunnen samen tot programmatische afspraken komen.

Het ministerie van IenW stelt de bestaande informatie en kennis over de processen van bodemdaling beschikbaar voor de stresstesten en werkt samen met de regionale overheden aan een plan van aanpak om de informatievoorziening en de kennisinfrastructuur rond bodemdaling te verbeteren. Verder zoekt het Deltaprogramma actieve samenwerking met het Nationaal Kennisprogramma Bodemdaling (voorheen Kennisprogramma Klimaat, Water en Bodemdaling) waarin Rijk, provincies, waterschappen, gemeenten en kennisinstituten sinds 2016 samen kennis over bodemdaling ontwikkelen en delen.

In het Interbestuurlijk Programma hebben verschillende ministeries (waaronder IenW, Economische Zaken en Klimaat (EZK), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)), provincies, waterschappen en gemeenten ook afgesproken samen te werken aan veenbodemvisies. Als onderdeel van de sectortafel Landbouw en landgebruik, die als voorbereiding op het Klimaat- en Energieakkoord is geformeerd, maken partijen aan een aparte tafel afspraken over de bijdrage aan CO2-reductie door ander landgebruik in veengebieden. De veenbodemvisies krijgen een vertaling in strategieën om de bodemdaling en de effecten daarvan in stedelijk en landelijk gebied tegen te gaan. Strategieën voor het landelijk gebied zijn bijvoorbeeld vernatting door peilopzet of infiltratie via drains, maar ook transities naar natte teelten, een energielandschap of natuur. Het vastleggen van broeikasgas in groeiende venen in natuurgebieden kan heel effectief zijn. Zie ook de bodemstrategie van de minister van LNV.* In bebouwd gebied worden eisen gesteld aan het bouwrijp maken van de grond, bijvoorbeeld door toepassing van lichte materialen om de toekomstige beheerkosten door bodemdaling te beperken en door mitigerende ingrepen in bestaand stedelijk gebied. De doelen en maatregelen worden verankerd in de gemeentelijke en provinciale Omgevingsvisies en de Nationale Omgevingsvisie (de startnota De opgaven voor de Nationale Omgevingsvisie van februari 2017 benoemt het omgaan met bodemdaling als een van de opgaven in het stedelijk en landelijk gebied). Maatregelen als ander landgebruik of aangepast peilbeheer vragen afstemming met tal van andere maatschappelijke opgaven, zoals de woningbouw, verduurzaming van de landbouw, landschapsbeheer en de CO2-reductie.

In diverse regio's werken partijen al samen aan bodemdaling, zoals in het Platform Slappe Bodem. Ook in het Groene Hart wordt samengewerkt en hebben de partners een perspectiefnota opgesteld die de opgave voor bodemdaling en de opgaven voor landbouw, landschap, energie en mobiliteit integraal benadert. De gemeenten Alphen aan den Rijn, Gouda en Woerden, de hoogheemraadschappen van Rijnland en de Stichtse Rijnlanden en de provincies Utrecht en Zuid-Holland hebben in februari 2018 met het Rijk afgesproken om samen te onderzoeken hoe de bodemdaling in deze regio te bestrijden is. De provincie Fryslân heeft in 2015 een veenweidevisie vastgesteld en neemt de doelen nu over in de provinciale Omgevingsvisie. Aan het bijbehorende uitvoeringsprogramma geven Wetterskip Fryslân, de Friese gemeenten, de provincie Fryslân, landbouworganisaties, natuur- en milieuorganisaties en de recreatiesector samen uitvoering.

2.3Kennis over nieuwe ontwikkelingen

Informatie over onderzoeken die specifieke thema's of gebieden belichten staat in de hoofdstukken 3 t/m 5 en 7.

Deltascenario's en klimaatafspraken Parijs

De deltascenario's* zijn tussentijds geactualiseerd. De nieuwe sociaaleconomische prognoses die het Centraal Planbureau (CPB) en het PBL eind 2015 hebben uitgebracht (WLO-scenario's) zijn nu verwerkt in de deltascenario's. De wijze waarop beregening zich ontwikkelt en de watervraag die daaruit voortvloeit zijn realistischer ingeschat. Het PBL en Deltares hebben een extra variant voor het deltascenario DRUK ontwikkeld: DRUK-PARIJS. Deze variant weerspiegelt de transitie die nodig is om aan de klimaatafspraken van Parijs te voldoen en de doorwerking daarvan in de wateropgaven. De variant DRUK-PARIJS gaat onder meer uit van een natter beheer van veenweidegebieden, meer bos voor CO2-opslag, een kleinere behoefte aan koelwater en een grotere inzet op verdichting bij stedelijke ontwikkeling. Het Deltaprogramma gebruikt de geactualiseerde deltascenario's en de variant DRUK-PARIJS bij de actualisatie van de knelpuntenanalyse voor zoetwater. Ook vormt de variant, samen met de andere scenario's, input voor de stresstesten voor ruimtelijke adaptatie. De aangepaste deltascenario's worden ingepast in het Nationaal Watermodel.*

In deze tussentijdse actualisatie zijn de nieuwe inzichten in de mogelijk versnelde zeespiegelstijging nog niet verwerkt (zie paragraaf 2.1). Een algehele update van de deltascenario's is voorzien in 2019-2020. Dan worden ook de meest recente inzichten in klimaatverandering en zeespiegelstijging meegenomen, afgestemd op de nieuwe klimaatscenario's die het KNMI gaat uitbrengen.

Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat

Kennisvragen die samenwerking tussen kennisinstellingen, overheden en bedrijven vereisen, hebben een plaats gekregen in het Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK)* , dat sterk verbonden is met het Deltaprogramma. Voor veertien onderwerpen zijn inmiddels samenwerkingsprogramma's gestart. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) lanceert in het najaar van 2018 een nieuwe call voor 'Living Labs in de delta'; het doel is kennis en ervaring op te doen met nieuwe concepten voor 'building with nature'. Het ministerie van LNV neemt sinds 2018 ook deel aan NKWK. Op 17 april 2018 vond de jaarlijkse Kennisconferentie van NKWK plaats met als thema 'Van papier naar praktijk'.

In het regeerakkoord is extra geld vrijgemaakt voor fundamenteel en toegepast onderzoek. De deltacommissaris heeft (in zijn rol als voorzitter van de Raad van Toezicht van NKWK) bij de bewindslieden van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) en van EZK benadrukt dat extra investeringen in water- en klimaatgerelateerd onderzoek en de instituten die daaraan werken belangrijk zijn. Het ministerie van IenW is samen met andere vakdepartementen in gesprek met de ministeries van OCW en EZK over de besteding van het extra geld. De 'Blauwe route' in de Nationale Wetenschapsagenda is daar relevant voor; de aanpak van NKWK kan daarop inspelen.

Early warning

Recente ontwikkelingen in de weers- en seizoensverwachtingen maken het mogelijk een betere inschatting te maken van de kans op extreem weer en van zomerdroogte op langere termijn. Met deze nieuwe vorm van early warning kunnen verschillende partijen beter anticiperen en schade (en mogelijk ook slachtoffers) voorkomen of beperken. Zo kunnen waterbeheerders het waterpeil verhogen bij verwachte droogte en juist verlagen (voorbemaling) bij verwachte extreme neerslag. Agrariërs kunnen inspelen op de verwachtingen met hun beregening of het moment van oogsten. Waterkeringbeheerders kunnen bij extreme waterstanden eerder alarmeren en hulpverleners kunnen het publiek tijdig waarschuwen. Verdere ontwikkeling van deze vorm van early warning door het KNMI is voor het Deltaprogramma dan ook van belang, in aanvulling op preventieve maatregelen.

2.4Markt en innovatie en internationale samenwerking

2.4.1Markt en innovatie

Innovaties zijn voor alle drie de thema's van het Deltaprogramma een belangrijke, noodzakelijke voorwaarde om de ambitieuze opgaven in 2050 te kunnen realiseren. Daarom is een productieve samenwerking met de Topsector Water tot stand gebracht. Het Deltaprogramma creëert omstandigheden die innovaties stimuleren. Een goed voorbeeld zijn de projectoverstijgende verkenningen (POV's) in het Deltaplan Waterveiligheid die kansen bieden om de creativiteit en het innovatieve vermogen van de markt aan te boren. Het Deltaplan Zoetwater omvat tal van klimaatpilots met innovatieve maatregelen. Ook voor ruimtelijke adaptatie zijn op veel plaatsen vernieuwende oplossingen in ontwikkeling. Zo is in mei 2018 in proeftuin The Green Village in Delft de WaterStraat geopend, een testlocatie voor experimenten, onderzoeken en producten om beter om te gaan met hevige regenbuien, droogte en hitte in de stad. Ondernemers hebben hier hun innovatieve oplossingen samengebracht.

Workshop WaterStraat

Hoogheemraadschap van Delfland en VPdelta hebben bij de opening van de WaterStraat in The Green Village op de TU-campus in Delft een workshop georganiseerd over de innovatieve oplossingen voor water in de stad. De actiepunten uit deze workshop hebben ze aangeboden aan de dijkgraaf van Hoogheemraadschap van Delfland en aan de deltacommissaris. De acties variëren van burgers uit de wijk erbij betrekken tot gemeenten uitnodigen om de WaterStraat te komen bezoeken, beter inzicht geven in de kosten en baten van innovatieve oplossingen en visuele middelen benutten om het effect van een innovatie zichtbaar te maken en innovaties bij een breder publiek kenbaar te maken.

De overheid kan met name via aanbestedingen en prijsvragen sturen op innovatie. Voor het Deltaprogramma zijn verschillende manieren interessant. Zo is het mogelijk in de aanbesteding expliciet te sturen op 'innovatiegericht inkopen'. Die vorm, die ook onderschreven wordt door econome Mazzucato*, is onderdeel van de actuele marktvisies van Rijkswaterstaat en de Unie van Waterschappen. Een andere vorm is Small Business Innovation Research (SBIR). Deze aanbestedingsvorm maakt het mogelijk om innovatieve oplossingen te vinden voor maatschappelijke uitdagingen die het karakter van een publiek goed hebben. De regeringspartijen hebben in het regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst opgenomen dat Rijkswaterstaat innovatie in de rol van launching costumer gaat aanjagen door meer gebruik te maken van deze aanbestedingsvorm.

Innovaties zijn ook op andere manieren te stimuleren. Een voorbeeld is het ontwerpprogramma Erfgoed en Ruimte dat het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie op verzoek van de ministeries van IenW en OCW heeft ontwikkeld. Het doel is ontwerpers te betrekken bij actuele maatschappelijke vraagstukken die een directe uitwerking hebben op de ruimtelijke inrichting van het Nederlandse cultuurlandschap en onze dagelijkse leefomgeving, zoals klimaatverandering. Door ontwerpkracht in te zetten en het klimaatadaptatievraagstuk te verbinden met cultuurhistorische erfgoedstructuren, kunnen verrassende nieuwe inzichten en denkrichtingen ontstaan. Acht projecten hebben hiervoor subsidie gekregen. Vier van deze projecten gaan over 'Stedenbouw voor extremen' (het aanpassen van steden aan extreme regenval).

2.4.2Internationale samenwerking

De kennis die Nederland in het Deltaprogramma opdoet is een interessant exportproduct en biedt kansen om de vele mondiale spelers in de waterwereld te verbinden. De deltacommissaris, de watergezant en de klimaatgezant werken hierbij nauw samen. Het Deltaprogramma ondersteunt andere landen met kennis en ervaring die in Nederland is opgedaan, zoals Vietnam, Bangladesh, Myanmar, Filippijnen en Indonesië. In veel landen neemt het risico op overstromingen, wateroverlast, droogte en orkanen toe. Bij complexe en urgente watervraagstukken wenden ze zich vaak tot Nederland en het Deltaprogramma. Zo heeft de overheid van Myanmar in 2018 een strategie voor duurzame ontwikkeling in de Ayeyarwadi-delta vastgesteld en heeft de overheid van Bangladesh in september 2018 een deltaplan voor de Bramaputra-delta vastgesteld; beide plannen zijn met inbreng van de kennis uit het Deltaprogramma tot stand gekomen. Ook draagt het Deltaprogramma actief bij aan een deltaplan voor Vietnam (Mekong) en het Masterplan Manilla Bay. Opvallend is dat ook Europese landen, bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, en de Verenigde Staten steeds vaker de partners van het Deltaprogramma en de deltacommissaris om advies vragen.

Bangladesh Deltaplan

Het Deltaprogramma heeft meegewerkt aan het Bangladesh Delta Plan 2100. Dit plan omvat regionale adaptieve strategieën, een investeringsagenda en een voorstel voor een institutioneel kader met onder meer een commissaris, een fonds en een wet. De overheid van Bangladesh heeft in september 2018 het deltaplan vastgesteld. De Nederlandse overheid en het Deltaprogramma bieden ook ondersteuning bij de implementatie van het deltaplan.

De Internationale Waterambitie (2016-2021) is voor Nederland het kader voor bijdragen in het buitenland aan opgaven voor water en klimaatadaptatie. Het doel is het vergroten van waterveiligheid en waterzekerheid in de wereld. Het Deltaprogramma stelt de meest recente kennis en innovaties beschikbaar. De ministeries van Buitenlandse Zaken (BZ) en van IenW en de Unie van Waterschappen (UvW) hebben in maart 2018 een Blue Deal getekend. Daarin hebben de partijen formeel afgesproken om samen te werken aan de realisatie van de Internationale Waterambitie (IWA) en de Sustainable Development Goals (SDGs).

De Watergezant en de deltacommissaris werken nauw samen om de Nederlandse delta-aanpak internationale aandacht te geven. Tweemaal per jaar bespreken zij tijdens een gezamenlijk veldbezoek in Nederland internationaal relevante thema’s en innovaties die daarbij van belang zijn. De Watergezant richt zich met name op de internationale markt waar overheid, bedrijfsleven, kennisinstituten en maatschappelijk middenveld nauw samenwerken en zet zich in voor mondiale acties en politiek draagvlak voor waterveiligheid en waterzekerheid. Hij zoekt hiervoor wereldwijd kansen. Het recent geopende Global Center of Excellence on Climate Adaptation (zie hierna) biedt een goede basis om kennis over de delta-aanpak te ontsluiten en op te schalen.

In 2018 is het Global Center of Excellence on Climate Adaptation gestart. Dit netwerk van zo’n 50 internationale instituten richt zich op kennisontwikkeling over effectieve methoden voor klimaatadaptatie. Het Deltaprogramma brengt kennis en ervaringen met de thema’s waterveiligheid, zoetwater en ruimtelijke adaptatie en de innovatieve bestuurlijke aanpak in. Via het Global Center komen deze kennis en ervaringen ook beschikbaar voor de werkzaamheden van de Delta Alliantie (een samenwerkingsverband van TU-Delft, WUR/Wageningen Environmental Research, UNESCO-IHE en Deltares) en de Delta Coalitie (een internationale coalitie die de belangen van de twaalf kwetsbaarste deltalanden voor het voetlicht brengt). De werkzaamheden van zowel de Delta Alliantie als de Deltacoalitie zijn verbonden met de activiteiten van het Global Center.